Het vakmanschap binnen de Belgische chocolade berust zowel op de verwerking van cacao tot chocolade als op het creëren van afgewerkte producten zoals pralines, truffels, repen en andere chocolades.
Het is belangrijk om twee benaderingen te onderscheiden:
WERKEN MET COUVERTURECHOCOLADE, geproduceerd door industriële specialisten die cacaobonen verwerken tot chocolade. Deze couverturechocolade bevat een hoger percentage cacaoboter, wat zorgt voor een grote vloeibaarheid en het ideaal maakt voor het tempereren, omhullen, gieten en maken van pralines. De meerderheid van de Belgische chocolatiers gebruikt deze couverturechocolade als grondstof: hun werk bestaat erin het chocolade te bedenken, samen te stellen, te vullen, te gieten en te verfijnen, terwijl ze tegelijkertijd hun eigen signatuur ontwikkelen. Couverturechocolade vormt dus het hart van het Belgische model: ambachtelijk vakmanschap toegepast op chocolade van topkwaliteit, geleverd door producenten die bekendstaan om hun technische beheersing.
BEAN-TO-BAR, een recentere aanpak, houdt in dat de ambachtsman zelf chocolade maakt uit ruwe cacaobonen. De Bean-to-Bar chocolatier selecteert de herkomst van de cacao, brandt de bonen, maalt ze, concheert ze, tempereert ze en produceert vervolgens zijn repen of creaties, hij beheerst dus de volledige keten, van grondstof tot eindproduct. Deze methode legt de nadruk op traceerbaarheid, kennis van terroirs, aromatische eigenheid en een nauwere band met cacaoboeren.
Beide tendensen bestaan vandaag naast elkaar en verrijken samen de identiteit van de Belgische chocolade.
De oorsprong van chocolade in België (1635–18e eeuw)
De geschiedenis van chocolade in België begint in 1635, toen een factuur teruggevonden in de abdij van Baudeloo in Gent voor het eerst de aanwezigheid van cacao op Belgisch grondgebied bevestigde. Enkele decennia later, in 1679, proefde de burgemeester van Zürich, Henri Escher, in Brussel zijn eerste kop warme chocolade en besloot hij het recept mee naar Zwitserland te nemen, wat bijdroeg aan de verspreiding van deze nieuwe drank in Europa. In de 18e eeuw werd cacao nog op ambachtelijke wijze verwerkt: het malen gebeurde met de hand, eerst met stenen of vijzels, later met stenen op tafels, wat een regelmatiger werk mogelijk maakte. Deze periode legde de basis voor een vakmanschap dat sindsdien voortdurend is blijven evolueren.
Industrialisatie en de bevestiging van Belgische chocolade (1835–1894)
In 1835 werd een belangrijke stap gezet met de komst van de eerste stoommachine in Brussel, waardoor de productie kon worden geïndustrialiseerd en er op een groeiende vraag kon worden ingespeeld. Enkele jaren later richtte Adolphe Meurisse in 1845 in Antwerpen de eerste chocoladefabriek van België op, wat een grootschalige productie op gang bracht. In 1847 bracht Fry & Sons in het Verenigd Koninkrijk de eerste chocoladereep op de markt, een formaat dat zich snel over Europa verspreidde. In 1883 richtte Charles Neuhaus het merk Côte d’Or op, genoemd naar de “Gold Coast”, de vroegere naam van Ghana, waar de cacaobonen vandaan kwamen. Tot slot nam België in 1894 een officiële definitie van chocolade aan: alleen producten met minstens 35% cacao mochten deze benaming dragen, wat de reputatie van Belgische kwaliteitschocolade versterkte.
De gouden eeuw van Belgische uitvindingen (1912–1980)
Het begin van de 20e eeuw werd gekenmerkt door grote innovaties die de identiteit van Belgische chocolade zouden bepalen. In 1912 vond Jean Neuhaus Jr. de praline uit, het eerste moderne gevulde chocolaatje, in zijn winkel in de Koninklijke Sint-Hubertusgalerijen. Drie jaar later, in 1915, creëerde zijn echtgenote Louise Agostini de ballotin, een elegante doos die pralines beschermde en geschikter maakte om cadeau te doen. In 1935 vonden opnieuw twee belangrijke gebeurtenissen plaats: de Wereldtentoonstelling in Brussel, die de Côte d’Or-mignonnettes populair maakte, en de creatie van de Manon Sucre door Maurice Corné, een toekomstige Belgische klassieker. In 1958 bracht de moderniteit opnieuw verandering met de “Dessert 58”-reep, gelanceerd voor de Wereldexpo. In 1980 gaf Leonidas de Manon een iconische nieuwe versie in witte chocolade, vandaag een van de bekendste pralines van het land.
Hedendaagse ontwikkelingen en uitdagingen voor de sector (2001– ....)
In de 21e eeuw onderging de chocoladesector belangrijke veranderingen. In 2001 stond de Europese Unie het gebruik toe van 5% plantaardige vetten anders dan cacaoboter, een beslissing waar België sterk tegen gekant was. In 2003 bevestigde de Europese Commissie deze toelating in de productienormen, waardoor de weg werd vrijgemaakt voor chocolade die afwijkt van het traditionele Belgische model, strikt gebaseerd op 100% cacaoboter. In 2008 startte de federatie Choprabisco met voorbereidend werk voor een “Belgisch chocolade”-label om de kwaliteit en herkomst te beschermen, hoewel dit label tot op heden niet officieel bestaat. Tussen 2010 en 2017 steeg het aantal chocoladebedrijven in Brussel merkbaar van 114 naar 146, een teken van hernieuwde belangstelling voor het vakmanschap. In 2016 weerspiegelden de Brusselse chocolade-exporten hun wereldwijde uitstraling: bijna een kwart was bestemd voor Azië, vooral Japan, Hongkong en China.
In 2018 engageerde België zich ertoe om tegen 2030 100% van zijn Belgische chocolade duurzaam te maken.
Elke dag ontstaan nieuwe ideeën en projecten, en we kunnen niet wachten om ze met jullie te ontdekken…